Jan Frans Vonck (1743-1792)

Keizer-koster Jozef II

Of de God welgevallige gelijkheid.

De Brabantse Omwenteling. waarin Vonck een hoofdrol speelde. was gericht tegen de hervormingen van keizer Jozef II. Deze maakten deel uit van een beleid dat de vorst ook elders in zijn rijk probeerde te voeren. Jozef ging de geschiedenis in als keizer-koster die geloof en kerk vijandig gezind was, kermissen afschafte en de kaarsen telde die mochten branden in de mis. Maar in werkelijkheid was Jozef de enige 18de-eeuwse monarch met een politieke visie. Zijn politieke en sociale hervormingsplannen waren briljant en nauwelijks minder ingrijpend dan die van de Franse revolutie. Alleen, Jozef duldde geen tegenspraak. Bovendien was hij te zeer een intellectueel om in te zien dat het niet volstaat de wereld te begrijpen om ze ook te veranderen. Zijn onderdanen stond immers niet het algemene. maar hun eigen belang voor ogen. De conservatieven hadden te veel te verliezen om de keizer te laten betijen en de verlangden meer inspraak dan hij bereid was te geven. Dat leidde in Jozefs erflanden en bij ons tot het failliet van zijn verlichte politiek.

ln 1765 stierf keizer Frans, de vrij onbetekenende echtgenoot van keizerin Maria-Theresia.

Voortaan hielp Jozef zijn moeder bij de uitvoering van haar politiek. Dat was voor de toekomstige monarch een goede leerschool, maar ook een bron van ergernis: Jozef werd dagelijks geconfronteerd met de belabberde toestand van het rijk, maar kon daar, zolang zijn moeder de feitelijke beslissingen nam, niets aan doen.

Terwijl andere Europese vorsten er vanaf de 17de eeuw in slaagden hun land om te smeden tot een coherent geheel en de macht van de centrale slaat uit te breiden, regeerde het huis van Oostenrijk over vorstendommen in Midden- en Oost-Europa, Italië, ex-Joegoslavië en de Nederlanden, die geografisch noch politiek een eenheid vormden en sterk gehecht bleven aan hun eigen gebruiken.

Elders hadden de vorsten daar wat op gevonden, maar de Habsburgers konden in een gewest alleen belastingen heffen indien de plaatselijke staten instemden. Dit bracht mee dat Wenen onvoldoende inkomsten had om een groot staand leger te onderhouden, terwijl Oostenrijk vanuit het noorden bedreigd werd door het steeds machtiger Pruisen, en in het zuidoosten door de Turken.

Om de macht van de Staten te verminderen en een efficiënt bestuur in te stellen probeerde Jozef zodra hij keizer was in zijn hele rijk eenzelfde, door Wenen gecontroleerde administratie op te zetten. Zij moest als voertaal het Duits bezigen en overal functioneren binnen dezelfde wettelijke grenzen.

Daartoe verdeelde hij zijn rijk in dertien administratieve omschrijvingen. De Zuidelijke Nederlanden ontsnapten daar voorlopig nog aan, maar ook hier zou Jozef na verloop van tijd de oude territoriale omschrijvingen overhoop halen.

Ook het lot van de boeren, de overgrote meerderheid van de bevolking, baarde Jozef zorgen. In Centraal-Europa, waar de feodaliteit nog volop bestond, waren zij onvrij; zij bewerkten de domeinen van wereldlijke heren of kerkelijke instellingen.

Ze waren te arm om zelf belastingen te betalen en of ze nu hard werkten of niet, hun lot bleef even ellendig. Het gevolg was dat zij weinig productief waren. Bovendien verdween hun bijdrage tot de nationale rijkdom in de geldkoffers van lieden en instellingen die vrijgesteld waren van de meeste heffingen.

Tolerantie

Ondanks enkele aarzelende hervormingen slaagde Maria-Theresia er niet in de situatie te verbeteren. Toch won het idee, dat de opheffing van sociale en politieke ongelijkheid de economie uiteindelijk ten goede zou komen, steeds meer veld. Jozef meende dat de emancipatie van de kleine man op termijn tot een God welgevallige gelijkheid zou leiden. En niet alleen omdat hij principieel weinig voelde voor privileges, hem stonden eerst en vooral economische groei en stijgende staatsinkomsten voor ogen.

Daarom wou hij ook de protestanten en joden, tot dan toe van vele activiteiten uitgesloten, volledig aan het maatschappelijke en economische leven laten deelnemen. "God dienen is niet los te koppelen van het dienen van de staat" schreef Jozef op zekere dag aan zijn moeder, "God wil dat wij hen, die hij talent en het vermogen tot zakendoen heeft geschonken, ook gebruiken. (...) Voor mij betekent tolerantie dat ik in seculiere zaken een beroep doe op iedereen die daartoe geschikt is, en bereid ben iedereen met de nodige kwalificaties die de welvaart van mijn landen bevordert, landbouw of handel te laten beoefenen of zich in een stad te laten vestigen".

Maria-Theresia luisterde niet - eens te meer. Maar toen zij stierf in 1780 en Jozef de troon besteeg, vaardigde hij vrijwel onmiddellijk het zogenaamde Tolerantie-edikt uit, het eerste in zijn soort.

Het gaf godsdienstvrijheid en gelijke burgerrechten aan lutheranen, calvinisten en orthodoxen; na verloop van tijd genoten ook de joden ervan. De censuur werd minder streng, iets waarvan zelfs de drukkers of invoerders van atheïstische traktaten en van pornografie profiteerden.

Van het protest trok Jozef zich niets aan. "Grote dingen moeten in één keer volbracht worden" schreef hij, "Alle veranderingen zorgen vroeg of laat voor meningsverschillen. De beste manier om vooruit te gaan, bestaat erin eens een beslissing genomen, het publiek er dadelijk over in te lichten en niet naar tegengestelde meningen te luisteren.Dan komt het erop aan de beslissing op de juiste manier uit te voeren."

Boeren

Al in 1780 drukte de keizer maatregelen door, gericht op de lotsverbetering van de boeren. Hij bepaalde dat zij niet langer verplicht waren tegen betaling al hun graan te malen in de molen van de heer en hun brood te bakken in diens bakkerij. Voorts kregen de kinderen van een boer het recht na diens dood dezelfde grond te blijven bewerken. Maar daar, vond de keizer, mocht het niet bij blijven.

Jozef II wilde de feodale lasten die op de boeren drukten, beperken tot zo'n 18% van hun inkomen (dit betekende dat de heren in sommige Centraal-Europese gebieden tot 60% van hun inkomen zouden verliezen). Dan konden de boeren 13% als belasting afstaan aan de staat en nog eens 20% aan de dorpsgemeenschap voor het onderhoud van de pastoor, het dorpsschooltje, enzovoort.

Zodoende hielden ze ongeveer de helft van de opbrengst van hun arbeid over, genoeg om hun bedrijf te runnen en "goed' te leven. Jozef vond ook dat een landheer zijn boeren niet langer tot onbezoldigde karweien mocht verplichten. Als hij de arbeid van zijn boeren nodig had, diende hij daar in klinkende munt voor te betalen.

Totalitair

Maar het waren niet alleen de boeren die volgens de keizer belastingen dienden te betalen. Ook de grootgrondbezitters, die tot dan toe vrijgesteld waren van grondbelasting, moesten eraan te geloven, vond hij. Omdat voor de heffing van een uniforme grondbelasting een inventaris nodig was van het grondbezit, gaf Jozef in 1784 opdracht een kadaster op te stellen - een gigantische onderneming die pas vijf jaar later voltooid was. Uiteraard kwam van deze antifeodale projecten uiteindelijk weinig in huis. De adel - zeker die in Hongarije - verzette zich en dreigde zelfs de Pruisen te hulp te roepen.

Het voorgaande bewijst dat Jozef II geen democraat was, maar een verlichtte despoot. Zijn doelstellingen en methode hadden iets totalitairs - of dat is de indruk die ze maken op ons, die in onze eeuw van nazisme, fascisme en Stalinisme zagen. Maar men mag niet vergeten dat Jozef tweehonderd jaar geleden regeerde over een feodale maatschappij waar privileges, machtsmisbruik en willekeur de regel waren. De keizer was een kind van zijn tijd; hij geloofde dat men dank zij de Rede - een Rede die geen tegenspraak duldde - alle problemen kon oplossen.

De oude vrijheden, waarvan men onder meer in de Zuidelijke Nederlanden vond dat de keizer ze ten onrechte afbouwde, waren in werkelijkheid de privilegies van een minderheid. Dat de andere Europese vorsten van de 18de eeuw daar niets aan deden, bewijst alleen dat zij conservatiever en voorzichtiger waren dan Jozef, niet democratischer. Maar Jozef maakte fouten. Hij was ongeduldig, impulsief en bemoeide zich met alles, ook met dingen waarvan hij geen verstand had.

De keizer bleef blind voor het feit dat zijn onderdanen gehecht waren aan hun eigen tradities, mentaliteit, gewoonten en godsdienstbeleving - een fout waarin vele heersers na hem opnieuw zouden vervallen.

Tenslotte begreep hij niet dat dezelfde ideeën, die van de Verlichting, waarop hij zijn politiek grondvestte, vele onderdanen naar meer insprak deed verlangen. En zo joeg hij mensen die het aanvankelijk min of meer met hem eens waren tegen zich in het harnas.